J.K. Rowling


Op deze site over Harry Potter mogen we de Schrijfster natuurlijk niet vergeten! Lees hier alles over schrijfster J.K. Rowling!

Volledige Naam: Joanne Kathleen Rowling
Geboren op: 31 juli 1965
In: Chipping Sodburry, Engeland

Fanmail kun je sturen naar:
J.K. Rowling
c/o Bloomsburry Publishing Plc.
38 Soho Square
London, WIV 5DF
England

(Doe je fanmail brief dan wel in het Engels natuurlijk)

Of naar:
J.K. Rowling
c/o Scholastic Inc.
555 Broadway
New York, NY10012
United States

Biografie
"Mijn moeder en mijn vader waren beide Londenaren. Ze hebben elkaar ontmoet op een trein reizende van King's Cross Station naar Arbroath in Schotland toen ze beide 18 waren; mijn vader ging bij de Koninklijke Marine werken, mijn moeder bij de W.R.E.N. (onderdeel van de marine). Mijn moeder zei dat ze het koud had, mijn vader bood haar aan om de helft van zijn jas te delen, en ze trouwden ongeveer een jaar laten, toen ze 19 waren.
 
Beide verlieten ze de marine en verhuisden ze naar de buitenwijken van Bristol, in het westen van Engeland. Mijn moeder beviel van mij toen ze 20 jaar was. Ik was een mollige baby. De beschrijving in 'De Steen der Wijzen' van de foto's van 'wat op een strandbal leek met verschillende gekleurde, gebreide mutsen' lijken erg veel op de foto's van mijn vroege jaren.

Mijn zuster Dianne arriveerde een jaar en elf maanden na mij. De dag van haar geboorte is mijn vroegste herinnering, of mijn vroegste dateerbare herinnering, in ieder geval. Ik herinner me nog goed dat ik aan het spelen was met een stukje boetseerklei in de keuken terwijl mijn vader heen en weer rende, de kamer in en uit, haastend naar mijn moeder. Ik heb ook een levendige menrale herinnering dat ik hun slaapkamer een tijdje later in liep, hand in hand met mijn vader, en mijn moeder in bed zag liggen met een nachtjapon naast mijn huilende zusje, die helemaal bloot was met een hoofd vol haar en dat ze vijf leek. Ook al heb ik deze laatste herinnering duidelijk in elkaar gezet met bizarre, valse herinneringen van stukjes die ik heb gehoord toen ik kind was, is het zo levendig dat het nog steefs in me opkomt als ik denk aan de geboorte van Di.

Di had - en heeft nog steeds - zeer donker, bijna zwart haar en donkere bruine ogen net als mijn moeder, en ze is een stuk knapper dan ik was (en nog steeds ben). Ter compensatie, denk ik, dat mijn ouders hebben besloten dat ik 'de slimme' was. Beide vinden we onze labels niet leuk, Ik wilde echt minder sproeterig-strandbalachtig zijn, en Di, die nu advocaat is, voelde zich duidelijk niet prettig dat niemand was opgevallen dat ze niet alleen een mooie meid was. Dat heeft zeker weten bijgedragen aan het feit dat we driekwart van onze jeugd hebben doorgevochten als een stel wilde katten, samen gevangen in een kleine kooi. Tot deze dag, heeft Do een klein litteken net boven haar wenkbrauw van de snee die ik haar heb gegeven toen ik een batterij naar haar gooide - maar ik had niet verwacht dat ik haar zou raken, ik dacht dat ze weg zou duiken! (Dit excuus heeft niet veel ijs gebroken met mijn moeder, die toen bozer was als ik haar ooit heb gezien).

We verlieten de bungalow toen ik vier was en we verhuisden naar Winterbourne, ook een van de buitenwijken van Bristol. Nu leefde we in een half vrijstaand huis met TRAPPEN, die er voor zorgde dat Di en ik, steeds opnieuw, een spel maakte waarin een van ons tweeen de trap af 'hing' van de hoogste traptree, handen vasthoudend met de andere en bij de andere smeken om niet los te laten. tot dat we naar onze 'dood' vielen. We vonden dit enorm amuserend. Ik denk dat de laatste keer dat we dit sel speelden twee kerstmissen terug; mijn negen jaar oude dochter vond het niet zo leuk als wij.

De weinige tijd dat we niet aan het vechten waren, waren Di en ik de beste vrienden. Ik vertelde haar een hoop verhalen en soms hoefde ik zelfs niet op haar te gaan zitten zodat ze zou blijven luisteren. Vaak werden het verhaal spelletjes waaron we beiden normale karakters speelden. Ik was extreem bazig als ik regisseur was tijdens deze langdurige spelletjes, maar Di hield het uit omdat ik haar meestal de goede rollen gaf.

Er waren een hoop kinderen van onze leeftijd die woonde in onze nieuwe straat, tussen hen een broer en zus met de achternaam Potter. Ik vond hun naam altijd leuk, terwijl ik niet erg blij was met die van mijzelf; 'Rowling' (de eerste lettergreep die word uitgesproken als 'row' als in een boor, meer dan 'row' als in een argument) leende zich uit voor grapjes zoals 'Rowling stone', 'Rowling pin' en ga zo maar door. Hoe dan ook, de broer heeft in de pers beweerd dat hij Harry 'was'. Zijn moeder heeft ook verslaggevers verteld dat hij en ik ons als tovenaars verkleedden. Geen van deze uitspraken is waar; eigenlijk, alles wat ik me herinner van de jongen in kwestie was dat hij op een rode 'Chopper' reed, wat de fiets was die iedereen in de zeventiger jaren wilde, en dat hij eens een steen naar Di heeft gegooid, waarvoor ik hem hard op het hoofd heb geslagen met een plastic zwaard (ik was de enige die dingen naar Di mocht gooien).

Ik genoot van mijn school in Winterbourne. Het was een erg rustgevende omgeving; ik herinner me veel potten maken, tekenen en verhalen schrijven, wat precies bij mij paste. Hoe dan ook, mijn ouders hadden altijd de droom gehad om in de stad te gaan leven, en rond mijn negende verjaardag verhuisde we voor de laatste keer, naar Tutshill, een klein dorpje net buiten Chepstow, in Wales.

De verhuising gebeurde toevallig bijna gelijk met de dood van mijn favoriete oma, Kathleen, wiens naam ik later nam als extra initiaal. Geen twijfel dat mijn eerste grote verlies van mijn leven invloed had op de gevoelens voor mijn nieuwe school, die ik totaal niet leuk vond. We zaten de hele dag aan cilinderbureaus naar het bord te kijken. Er waren oude inktgaten in het bureaublad. Er was een tweede gat in mijn bureau, die er was uitgehold met de punt van een passer door de jongen die er dat jaar ervoor had gezeten. Hij had duidelijk stilletjes gewerkt en buiten het zicht van de leraar. Ik dacht dat dat een grote prestatie was, en dus zette ik het werk voort door het gat te vergroten met mijn eigen passer, tegen de tijd dat ik het klaslokaal kon verlaten kon je er gemakkelijk je duim doorheen steken.

Mijn middelbare school, Wyedean, waar ik naar toe ging toen ik elf was, was de plaats waar ik Sean Harrus ontmoette, aan wie ik De Geheime Kamer heb opgedragen en die de eigenaar was van de originele Ford Anglia. Hij was de eerste van mijn vrienden die me leerde om te rijden en de turkoois en witte auto betekende VRIJHEID en niet meer aan mijn vader hoeven te vragen om me een lift te geven, wat het ergste is in het leven van een tiener op het platteland. Sommige van de gelukkigste herinneringen van mijn tienerjaren hebben betrekking op het in het donker wegrijden van Sean's auto. Hij was de eerste persoon met wie ik echt discussieerde over mijn serieuze ambitie om schrijfster te worden en hij was ook de enige persoon die me leerde dat mijn lot was om er succes mee te hebben, wat veel meer voor me betekende dan ik toen liet merken.

Het ergste dat gebeurde in mijn tienerjaren was dat mijn moeder ziek begon te worden. Ze had als diagnose multiple sclerosis, wat een ziekte is aan het zenuwstelsel, toen ik vijftien was. Ook al maken veel mensen met multiple sclerosis periodes van rust mee - als hun ziekte stopt met vooruitgang voor een tijdje, of zelfs beter word - was mijn moeder ongelukkig; vanaf het moment dat ze de diagnose van de ziekte kreeg werd het langzaam maar zeker erger. Ik denk dat de meeste mensen, diep van binnen, geloven dat hun moeder onsterfelijk is; het was een verschrikkelijke schok om te horen dat ze een ongeneeslijke ziekte had, maar zelfs toen, realiseerde ik me niet volledig wat de diagnose betekende.

Ik verliet de school in 1983 en ging naar de universiteit van Exeter, aan de zuidkust van Engeland. Ik studeerde Frans, wat fout was; ik was bezweken aan de druk van mijn ouders o een 'bruikbare' studie moderne talen te gaan doen als tegenovergesteld van 'maar-waar-zal-het-heen-leiden?' Engels zou echt mijn type zijn geweest. Aan de andere kant, het studeren van Frans betekende dat ik een jaar in Parijs moest gaan wonen als een deel van mijn opleiding.

Na het verlaten van de universiteit werkte ik in Londen; mijn langste werk was met Amnesty International, de organisatie die campagne voert tegen het misbruiken van de menselijke rechten over de hele wereld. Tot in 1990, mijn toenmalige vriendje en ik besloten om naar Manchester te verhuizen. Het was na een weekend flat-jagen, toen ik alleen terugreisde naar Londen in een drukke trein, dat het idee van Harry Potter sompelweg mijn hoofd in viel.

Ik had bijna continu geschreven vanaf de leeftijd van zes jaar maar ik was nog nooit zo opgewonden geweest over mijn eerdere ideeen. Tot mijn immense frustratie, had ik geen werkende pen bij me, en ik was te verlegen om aan iemand te vragen of ik er een mocht lenen. Ik denk, nu, dat dit waarschijnlijk een goed ding was, omdat ik simpelweg zat en dacht, voor vier (treinvertraagde) uren, en alle details kwamen in mijn hoofd op, en deze magere, zwartharige, bebrilde jongen die niet wist dat hij een tovenaar was werd steeds meer echt voor mij. Ik denk dat ik de ideeen was rustiger had moeten laten gaan als ik ze op papier wilde zetten dat ik misschien een paar niet had gehad (ook al vraag ik me soms af, hoe veel van wat ik me had voorgesteld op die reis ik vergeten was voor de tijd dat ik echt een pen in mijn handen kreeg).

Ik begon 'De Steen der Wijzen' te schrijven die avond, ook al lijken de eerste paar pagina's helemaal niet wat er in het afgemaakte boek staat. Ik verhuisde naar Manchester, en nam het groeiende script met me mee, die nu in allerlei vreemde richtingen groeide, en ideeen bevatte voor de rest van Harry's carriere op Zweinstein, niet alleen zijn eerste jaar. Toen, op 30 december 1990, gebeurde er iets wat zowel mijn wereld als die van Harry voor altijd zou veranderen: mijn moeder ging dood.

Het was een verschrikkelijke tijd. Mijn vader, Di en ik waren er kapot van; ze was maar vijfenveertig jaar oud en we hadden ons nooit voorgesteld - waarschijnlijk omdat we de gedachte niet konden uitstaan - dat ze zo jong dood kon gaan. Ik herinner me dat het was alsof er beton op mijn borst duwde, een echte pijn in mijn hart.

Negen maanden later, wanhopig om weg te gaan voor een tijdje, ging ik naar Portugal, waar ik werkte als een Engels lerares in een taalinstituut. Ik nam het nog steeds groeiende manuscript van Harry Potter mee, hopend dat mijn nieuwe werkuren (ik ga les in de namiddag en in de avond) zichzelf zouden lenen om verder te gaan aan mijn boek, dat erg was veranderd sinds dat mijn moeder was gestorven. Nu waren Harry's gevoelens over zijn dode ouders veel dieper, veel echter. In de eerste weken in Portugal schreef ik mijn favoriete hoofdstuk, de Spiegel van Neregeb.

Ik had gehoopt dat als ik uit Portugal terug zou keren, ik een afgemaakt boek onder mijn arm zou hebben. Maar, ik had iets beters: mijn dochter. Ik had een Portugese man leren kennen en was met hem getrouwd, en ook al werkte het huwelijk uiteindelijk niet, het had me het beste in mijn leven gegeven.
Jessica en ik kwamen aan in Edinburgh, waar mijn zuster Di leefde, precies op tijd voor Kerstmis 1994.

Ik deed net alsof ik weer les ging geven en wist dat tenzij ik het boek snel af kreeg, ik het waarschijnlijk nooit af zou krijgen; ik wist dat fulltime les geven, met al het verbeteren en lessen plannen, en dan nog eens een dochter die ik alleen moest opvoeden, dat me geen vrije tijd meer zou geven. En dus ging ik werken in een soort van razernij, vastbesloten om het boek af te maken en tenminste zou proberen om het gepubliceerd te krijgen. Als Jessica in slaap viel in haar wandelwagentje ging ik zo snel mogelijk naar het dichtsbijzijnde cafe en begon te schrijven als een gek. Ik schreef bijna iedere avond. Toen moest ik het hele ding zelf uittypen. Soms haatte ik het boek, terwijl ik er tegelijkertijd ook van hield.

Eindelijk was het klaar. Ik bedekte de eerste drie hoofdstukken in een mooie plastic folder en zond ze naar een agent, die ze zo snel terug stuurde dat ze waarschijnlijk zijn teruggestuurd op dezelfde dag dat ze arriveerde. Maar de tweede agent schreef terug en vroeg of hij de rest van het manuscript mocht zien. Het was echt de allerbeste brief die ik ooit heb gekregen in mijn leven, en het was maar twee zinnen lang.

Het duurde een jaar voor mijn nieuwe agent, Christopher, om een uitgever te vinden. Veel van hen wezen het af. Toen, eindelijk, in augustus 1996, belde Christopher mij en vertelde me dat Bloomsbury een 'aanbod had gemaakt'. Ik kon niet geloven wat ik hoorde. 'Je bedoelt dat het wordt uitgegeven?', vroeg ik, erg dom. 'Wordt het zeker weten uitgegeven?' Toen ik had opgehangen, schreeuwde ik en sprong in de lucht; Jessica, die in haar hoge stoel zat van haar thee te genieten, keek een beetje bang.

En jullie weten waarschijnlijk wat daarna is gebeurd."